Airborne-verhaal: “De oorlog heeft mijn leven wel bepaald”

In september is het 75 jaar geleden dat de Slag om Arnhem woedde. Hoeveel impact dat op bewoners had, kan bijna niemand zich uit eigen ervaring voor de geest halen. Veel Arnhemmers werden tenslotte voortijdig geëvacueerd, de rest deed dat alsnog in de week daarna. Slechts een enkeling bleef achter. Een aantal bewoners van DrieGasthuizenGroep herinnert zich de Slag om Arnhem. Kinderen waren het nog, toen de hel losbrak.

“Het regende stukjes papier, flarden van kerkboeken uit de Eusebius.” 

Het verhaal van: Hannie Ubbink (90)

“Ik was 14. Met mijn ouders en twee jongere zusjes woonde ik op de Hommelseweg. Die zondag, 17 september, zat ik met opa in de kerk; de Onze Lieve Vrouwekerk, aan de Slichtenhorststraat. Tijdens de mis hoorden we vliegtuigen, hun zware gebrom was niet te missen. En er werd geschoten. Het werd steeds onrustiger in de kerk, mensen mompelden, draaiden op hun banken. Gek genoeg ontstond er geen paniek. Dat lag deels aan de kapelaan die iedereen maande te blijven zitten. ‘Beter dood in de kerk dan dood op straat’, probeerde hij. Het duurde nog even, toen was er geen houden meer aan, iedereen wilde naar buiten. We wisten dat de geallieerden binnenkort zouden ingrijpen, dit moést het moment zijn. Niemand rende weg, op straat bleef iedereen praten. ‘Ze vallen bij Oosterbeek’, riep iemand. Toen zagen wij ze ook, de parachutisten. Mijn ogen als 14-jarige waren heel goed.

Ik heb geleden onder de oorlog, ben er een angstig kind door geworden. Dat kwam ook omdat mijn vader bij de brandweer van het Openluchtmuseum werkte. Zodra een alarm afging, sprong hij op zijn fiets, richting het museum. Daar moesten de kunstschatten worden bewaakt! Voor een kind is dat onbegrijpelijk. Als er iets aan de hand was, was mijn vader er nooit om ons te beschermen.

Ik herinner me vliegtuigen die overkwamen, ze trokken dikke witte strepen in de lucht. Van mijn moeder moesten we onder de trap blijven zitten. ‘Als ze de bommen kwijt zijn, komen ze weer terug. Stel dat ze er een vergeten zijn en die alsnog hier laten vallen!’. Als je niet bang bent, word je het wel van zo’n vooruitzicht.

Onder de indruk raakte ik door een Tommy, een piepjonge Engelse soldaat die totaal in paniek de Hommelseweg afrende. Hij droeg een teddykleurig bruin pak, had geen helm of pet meer. Ik had nog nooit een geallieerde soldaat gezien. Bewoners probeerden hem te helpen, te kalmeren en in hun huizen naar binnen te trekken. Hij rukte zich los, sloeg in paniek om zich heen, rende weer door. De Duitsers hebben hem vermoedelijk te pakken gekregen.

We zijn nog een week in Arnhem gebleven, vader was vooral weg, moeder werd nieuwsgierig. Ze wilde zien wat er van het centrum over was. Wat we zeker wisten was dat de Eusebius geraakt was, dikke zwarte rookwolken trokken over onze wijk. Het regende stukjes papier, flarden van kerkboeken. Toen moeder terugkwam was ze overstuur. ‘Het is verschrikkelijk zei ze, ‘er wordt gevochten bij het leven. Op het plein bij Vroom ligt een enorm dekzeil, met daaronder alleen maar doden. Duitsers en Engelsen.’

We moesten weg, de aankondiging van evacuatie werd op alle palen en bomen in de stad geplakt. Op bevel van de Duitse burgemeester die Arnhem toen had. Het kon ook niet langer, er was geen water, gas of licht meer. Eten evenmin. Mijn vader regelde twee oude transportfietsen, zonder banden. Daar werden theekisten op vastgezet. De belangrijkste spullen gingen erin. Mijn jongere zusjes en ik moesten lopen. Als oudste kreeg ik het wandelwagentje onder mijn hoede, waarop alle kussens en dekens werden gelegd. Eén van de wieltjes liep aan, ik moest er steeds een schop tegenaan geven.

Via de Apeldoornseweg zijn we naar de Woeste Hoeve gelopen, in een enorm lange rij mensen. De stad liep leeg. Zodra er vliegtuigen overkwamen dook ik in de greppel, dat wandelwagentje kon me niets schelen. Bij de Woeste Hoeve sloegen we linksaf, het bos in. Ik probeerde nog even mijn vader te overtuigen. We konden daar best blijven, de evacuatie zou toch niet langer dan een paar dagen duren? Vader dacht er anders over. Pijn of honger kan ik me niet herinneren tijdens de tocht, je raakt in een soort trance, een overlevingsmodus.

image

Bij Hoenderloo liep het dorp vol, we hoorden bij binnenkomst al dat er geen plek voor ons was. We kregen wel een slaapplek, in een varkenshok waar stro lag. De volgende dag zijn we doorgelopen naar Otterlo, waar we een beker melk kregen. En een stuk brood. Daar werd verteld dat we naar Harskamp werden gebracht. Harskamp? Daar had ik nog nooit van gehoord.

Bij Harskamp stonden Duitsers te wachten, met grote bussen erwtensoep. We kregen allemaal een volle opscheplepel, ze waren aardig. Het boerengezin waar we werden ondergebracht zat niet op evacués te wachten, zoveel werd meteen duidelijk. ‘Alle stadsen zijn van de duivel’, beet de boerin ons toe. Mijn moeder bleef beheerst. ‘Dan hoop ik voor je dat je dit nooit zelf meemaakt’, zei ze.

We hebben negen maanden in Harskamp gewoond, in het zomerhuisje bij de boerderij. Mijn vader had baantjes, hielp de bakker die het ineens veel drukker kreeg met zoveel meer inwoners in het dorp. Later werkte hij in de gaarkeuken, die door de Oosterbeekse fraters van Klingelbeek en pastoor Bruggeman was opgericht.

Pas in juni, negen maanden later, keerden we terug naar Arnhem. De boer bracht ons met paard en wagen naar huis. Ik was 15 en moest meteen werk zoeken. ‘Wij moeten ‘t verdienen Hannie, we hebben helemaal niets meer.’ Voor mijn zusjes begon toen de lagere school.

Een trauma hield ik niet over aan de oorlog, het heeft mijn leven wel bepaald. Ik wilde dolgraag verpleegster worden, maar daar kwam het niet van, tijd om te leren kreeg ik niet. Ik heb tot mijn 30ste alles wat ik verdiende afgegeven aan mijn ouders. In dat jaar ben ik getrouwd en het huis uitgegaan. Voor het eerst had ik eigen geld, konden we zelf iets opbouwen. Ik raakte in verwachting maar kreeg een miskraam. Mijn man vond dat een goede reden om met ons geld iets leuks te doen. Iets leuks? ‘Ja’, zei hij. ‘We gaan naar Parijs.’ Ik vond het geweldig. We hebben geluk gehad samen, zijn 32 jaar getrouwd geweest en hebben twee zoons gekregen. Mijn man overleed op zijn 63ste aan longkanker, hij rookte van jongs af aan. Bukshag, ken je dat? Als piem raapte hij elke peuk op van straat, om sigaretjes te draaien.”

* Dit verhaal wordt mede mogelijk gemaakt door DrieGasthuizenGroep, een erkende woonzorgorganisatie voor en met mensen met een zorgvraag.

Meer weten over de Airborne-wedstrijd? Ga naar Vitesse.nl/airborne.

image