Airborne-verhaal: “Angst kan ik me niet herinneren, ik was voor de duvel niet bang”

In september is het 75 jaar geleden dat de Slag om Arnhem woedde. Hoeveel impact dat op bewoners had, kan bijna niemand zich uit eigen ervaring voor de geest halen. Veel Arnhemmers werden tenslotte voortijdig geëvacueerd, de rest deed dat alsnog in de week daarna. Slechts een enkeling bleef achter. Een aantal bewoners van de DrieGasthuizenGroep herinnert zich de Slag om Arnhem. Kinderen waren het nog, toen de hel losbrak.

Het verhaal van: Riet Assen-Bolder (89) 

“Ik ben in de Arnhemse binnenstad geboren maar groeide op aan de Schaepmanlaan op de Geitenkamp. We vormden een hecht gezin; vader, moeder, drie broertjes en drie zusjes. Ik zag de parachutisten springen, op grote afstand richting Wolfheze. Paniek? Paniek heb ik helemaal niet gevoeld. De Sint Jozefkerk was open, stelde de kapelaan gerust.

Gek hè, angst kan ik me niet herinneren, ik was voor de duvel niet bang. Wel weet ik dat we naar huis gestuurd werden, om de ramen te beplakken. Want dat kon schelen, bij een inslag. Die inslag kwam, de halve voorkamer lag in puin. Dat plakken hielp niet.

Mijn vader was in dienst, later kwamen we erachter dat hij een geheime missie had en in het verzet zat. Hij bleef ineens drie weken weg, was vermist bij de Grebbenberg. Daar is zo gevochten, we gingen er vanuit dat hij gesneuveld was. Ineens stond hij weer op de stoep.

Ik zat op de katholieke huishoudschool in de binnenstad. School ging gewoon door, ik ging er met de tram naartoe. Net voor de evacuatie heb ik zelfs mijn diploma gehaald. Op weg naar school ging diverse keren het luchtalarm af, moest je maken dat je een schuilplek vond. Mijn moeder was nuchter en heeft dat op haar kinderen overgebracht. ‘Als het je tijd is, ga je toch’. Dat credo draag ik mijn hele leven met me mee. Ik ben positief, een optimist.

Op 17 september werden we gesommeerd ons huis te verlaten, toen begon ook voor ons de evacuatie. Mijn vader had een kennis in Rozendaal, daar konden we terecht. In het koetshuis van de familie zaten we met drie andere gezinnen. Wekenlang, totdat het te koud werd. Je kon er niet stoken. Later zijn we op een bovenverdieping van een huis aan De Genestetlaan terechtgekomen. Daar hadden we een kleine slaapkamer met een keukentje. We hebben er met acht man gezeten.

Ik was het oudste meisje, liep altijd met mijn broertje Frans te sjouwen. Wij hebben binnen het gezin een heel bijzondere band, nog steeds. Ik voelde me verantwoordelijk en liep geregeld terug naar de Geitenkamp om spullen die we nodig hadden thuis op te halen. Tijdens een van die bezoeken klonk het luchtalarm. Ik heb bij de buurvrouw onder de trap gezeten. Toen ben ik wel even bang geweest. Het laten merken? Ho maar, dat was in ons gezin niet gewoon. ‘Daar schiet je niets mee op’, predikte moeder.

Ik heb haar nooit zien huilen. Of toch? In ons huis woonde ten tijde van de evacuatie een ander gezin. Dat gebeurde overal, tijdelijke bewoning van verlaten huizen door mensen die zelf huis en haard kwijtraakten. In onze voorkamer had moeder een pronkserviesje, in een kastje dat nooit openging, behalve wanneer er werd schoongemaakt. Bij een van mijn bezoekjes kreeg ik van de mevrouw thee uit een kopje van dat servies. Terug in Rozendaal vertelde ik het mijn moeder, uit enthousiasme. Op dat moment kwamen de tranen, dit deed zeer. Over alle andere kopjes thee die ik er later kreeg heb ik mijn mond maar gehouden.

Met mijn zusje ben ik geregeld op pad geweest, met geld en bonnen die we hadden probeerden we eten te krijgen. We kwamen tot Dieren aan toe, op fietsen met houten banden. Een fiets ging stuk, die hebben we in het kanaal gegooid, we moesten lopend terug naar Rozendaal en wilden op tijd komen. Moeder heeft die avond in de rats gezeten, het was Spertijd, je moest voor acht uur ’s avonds binnen zijn. Ik zie haar nog staan wachten, onder aan de Biesdelselaan.

Spannend waren de invallen, waarbij jacht werd gemaakt op mannen die te werk gesteld konden worden in Duitsland. Mijn vader en de twee andere mannen in het koetshuis verstopten zich in de dakgoot. Mijn moeder begaf hij bijna van angst, breiend riep ze wel 100 keer Heilige Maria aan.

Na de bevrijding zijn we terug naar Arnhem gekomen. De Geitenkamp kwam redelijk ongeschonden tevoorschijn, de binnenstad lag compleet in puin. Ik herinner me niet veel van de verwoestingen, je kwam er gewoon niet. Vanaf Velperpoort zat de stad op slot. In ons huis aan de Schaepmanlaan zijn we alleen nog geweest om wat spullen op te halen, we kregen een andere woning toegewezen, aan de Rozendaalseweg. De bewoners van dat huis keerden niet meer terug na oorlog. Ik heb er tot 1954 gewoond, ben met Jan Assen getrouwd en heb met hem een zoon en twee dochters gekregen. Het assurantiekantoor dat wij begonnen bestaat nog steeds, onze zoon en jongste dochter hebben het overgenomen toen Jan op 57-jarige leeftijd een hartstilstand kreeg. Ik heb nooit meer een vriend gehad, maar dat is niet erg, een vent zoals Jan krijg ik nooit meer.

We zijn aanpakkers, het resultaat van de oorlog en het nest waaruit ik kom. Onze oudste dochter is jong overleden, aan borstkanker. Een groot verdriet. Maar ik ben nooit bij de pakken neer gaan zitten, want dat helpt je niet.

Wat wij meemaakten heeft bij mij weerstand tegen alles wat met oorlog te maken heeft gekweekt. Als ik beelden uit oorlogsgebieden zie, vind ik het vooral schandalig. Zoveel leed, zoveel dat kapotgeschoten wordt. En waarom? Oorlog levert niets op. Ik leef mee met vluchtelingen, mensen die met lege handen hierheen komen. Als je zelf geen eten en drinken hebt gehad rest maar één conclusie: dan mag je blij zijn dat het hier al 75 jaar geen oorlog is.”

 * Dit verhaal wordt mede mogelijk gemaakt door DrieGasthuizenGroep, een erkende woonzorgorganisatie voor en met mensen met een zorgvraag.

Meer weten over de Airborne-wedstrijd? Ga naar Vitesse.nl/airborne.